Opinie en achtergrond #10

Download pdf

Eerste civielrechtelijke bestuursverboden gepubliceerd

J.C.L. Verheijden, november 2018

Op 1 juli 2016 is de Wet civielrechtelijk bestuursverbod in werking getreden. Door middel van invoering van artikel 106a tot en met 106e Fw is de mogelijkheid gecreëerd om een civielrechtelijk bestuursverbod op te leggen wanneer een bestuurder faillissementsfraude pleegt of zich schuldig maakt aan wangedrag in de aanloop naar een faillissement. Inmiddels zijn de eerste civielrechtelijke bestuursverboden in het handelsregister gepubliceerd.

 Het doel van de wet is om faillissementsfraude en onregelmatigheden in of rondom een faillissement effectiever te kunnen bestrijden en om te voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten via allerlei omwegen en met nieuwe rechtspersonen ongehinderd kunnen voortzetten. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan een van de actiepunten uit het wetgevingsprogramma herijking faillissementsrecht. [1]

 Een bestuursverbod kan worden opgelegd op vordering van de curator of op verzoek van het Openbaar Ministerie wanneer tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement sprake is van een van de volgende situaties:

  1. de bestuurder is veroordeeld voor bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:138/2:248 BW;
  2. de bestuurder is veroordeeld voor paulianeus handelen ex artikel 42/47 Fw;
  3. de bestuurder is tekortgeschoten in de op hem rustende informatie- en medewerkingsverplichtingen jegens de curator;
  4. de bestuurder is minstens twee keer eerder betrokken geweest bij een faillissement en hem treft daarvan een persoonlijk verwijt;
  5. de bestuurder, of de rechtspersoon, heeft een boete ontvangen wegens een vergrijp als bedoeld in de artikelen 67d, 67e of 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

 Nadat een bestuursverbod is opgelegd kan de betreffende bestuurder gedurende (maximaal) vijf jaar niet tot bestuurder of commissaris worden benoemd. Een benoeming in weerwil van het verbod is nietig. De wet bepaalt dat een bestuursverbod voor de duur waarvoor het is opgelegd, wordt geregistreerd in het Handelsregister.

 Afgelopen september werden de eerste civielrechtelijke bestuursverboden in het handelsregister gepubliceerd. Deze werden op 13 juni 2018 door de Rechtbank Den Haag [2] opgelegd op verzoek van de curator in het faillissement van Prestige Zorg BV. De uitspraak waarin de bestuursverboden worden opgelegd, betreft een verstekvonnis. Hierin wordt derhalve niet nader ingegaan op de gronden waarop de bestuursverboden worden opgelegd en de overwegingen van de rechtbank. Uit het vonnis evenals uit het faillissementsverslag blijkt wel dat de betreffende bestuurders tevens worden veroordeeld tot betaling van het faillissementstekort op grond van artikel 2:248 BW wegens onbehoorlijk bestuur.

 Er zijn inmiddels meerdere uitspraken over het civielrechtelijke bestuursverbod gepubliceerd.

 In mei oordeelde de Rechtbank Rotterdam [3] op het verzoek van een curator om een bestuursverbod op te leggen, dat de (curatoren van de) rechtspersonen waarvan de gedaagde tevens bestuurder of commissaris was om hun zienswijze diende te worden gevraagd. De rechtbank overwoog dat de rechtspersonen waarvan de gedaagde bestuurder of commissaris is op grond van artikel 106c Fw in de gelegenheid moeten worden gesteld hun zienswijze te geven over het gevraagde bestuursverbod en de mogelijke gevolgen daarvan. Nu twee van deze vennootschappen failliet waren, diende de betrokken curator(en) om een zienswijze te worden gevraagd omdat de mogelijkheid van een doorstart van de vennootschap, bijvoorbeeld door het aanbieden van een akkoord, nog bestond. In deze zaak werd het gevorderde bestuursverbod overigens ook gecombineerd met een vordering tot betaling van het faillissementstekort op grond van artikel 2:248 BW wegens onbehoorlijk bestuur.

 In een strafprocedure bij de Rechtbank Rotterdam [4] vorderde het Openbaar Ministerie een bestuursverbod voor de duur van twee jaar. De rechtbank verklaarde bewezen dat – kort gezegd – niet is voldaan aan de administratieplicht, de bestuurder nagelaten heeft de administratie en inlichtingen aan de curator te verstrekken en de bestuurder grote sommen geld aan de ondernemingen heeft onttrokken. De rechtbank legde de bestuurder, in afwijking van de maximale duur van vijf jaar, een bestuursverbod op voor de duur van zeven jaar gelet op het feit dat de ontzetting ingaat tijdens de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van twee jaar.

 Een overzicht van de huidige bestuursverboden is te raadplegen via de website van de Kamer van Koophandel: www.kvk.nl/over-de-kvk/overzicht-civielrechtelijk-bestuursverbod/.

 Noten

[1] Kamerstukken II 2013/14, 34011, 3 (MvT).

[2] Rb. Den Haag 13 juni 2018, zaaknummer C/09/551476 / HA ZA 18-419.

[3] Rb. Rotterdam 9 mei 2018, JOR 2018/177.

[4] Rb. Rotterdam 6 september 2018, RI 2018/89.