Opinie en achtergrond #2

Download pdf

Rabobank/Reuser q.q. en het bodem(voor)recht van de fiscus

Ton Tekstra, augustus 2016

In het arrest Rabobank/Reuser q.q. (HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046) heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan over de relatie tussen een pandrecht en een eigendomsvoorbehoud betreffende dezelfde zaak. Kort gezegd is de Hoge Raad van oordeel dat de verkrijger van een onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak een geldig pandrecht kan vestigen op zijn voorwaardelijke eigendomsrecht op deze zaak. Wordt de opschortende voorwaarde vervuld, doordat de nog openstaande koopprijs wordt voldaan (ik duid dit hierna aan als het ‘lossen’ van het eigendomsvoorbehoud), dan groeit het pandrecht van rechtswege uit tot een pandrecht op de volle eigendom van de betreffende zaak en daarmee op die zaak zelf. Dit kan zich ook na faillissement voltrekken, in welk geval volgens de Hoge Raad artikel 35 lid 1 en lid 2 Fw toepassing missen. Het arrest zal nog veel pennen in beweging brengen. Ik wil mij in deze bijdrage concentreren op – en daarmee beperken tot – de gevolgen van het arrest voor het bodem(voor)recht van de fiscus. In de zaak Rabobank/Reuser q.q. ging het om een onder eigendomsvoorbehoud geleverd teeltsysteem. Mogelijk dus een bodemzaak in de zin van artikel 22 lid 3 Invorderingswet 1990 (Iw 1990). Vandaar dat ik een tweetal gevallen behandel waarbij een eigendomsvoorbehoud op een bodemzaak in het spel is en waarbij tijdens faillissement, door of ten behoeve van de pandhouder, het eigendomsvoorbehoud wordt gelost. Zij geven aanleiding tot interessante breinbrekers. Het valt zeker niet uit te sluiten dat deze gevallen tot jurisprudentie gaan leiden. Tot slot zal ik onderzoeken of de meldingsregeling voor het bodemrecht op de voet van artikel 22bis Iw 1990, zoals in 2013 ingevoerd, in de besproken gevallen een rol speelt.

Het eerste geval is ontleend aan de onderliggende casus van Rabobank/Reuser. Er is een pandrecht gevestigd op een bodemzaak, bijvoorbeeld op een machine die wordt gebruikt in een industriële onderneming, terwijl die machine onder eigendomsvoorbehoud is geleverd. De onderneming gaat failliet en op dat moment moet er nog een bedrag van € 20.000 worden betaald als restant koopprijs. De pandhouder besluit die € 20.000 te betalen aan de leverancier om op die manier het eigendomsvoorbehoud te lossen. Dat heeft juridisch gezien twee effecten, die zich op een ondeelbaar moment voordoen. De machine wordt volledige eigendom van de onderneming (effect 1) en het pandrecht op de machine groeit aan tot een pandrecht op de volle eigendom van de machine (effect 2). Voordat deze effecten zich voltrokken, was de machine dus eigendom van een derde – de leverancier – en zou de fiscus, indien sprake was van openstaande belastingschulden bij de onderneming waarvoor het bodemrecht geldt (met name voor de loon- en de omzetbelasting), bodembeslag op de machine kunnen leggen op de voet van artikel 22 lid 3 Iw 1990. Dit beslag was ook nog mogelijk tijdens faillissement, omdat de machine nog eigendom van een derde was en niet van de failliet.

Na de lossing door de pandhouder kan de fiscus geen bodembeslag meer leggen op de machine, aangezien de machine vanaf dat moment eigendom van de failliet is geworden. De vraag dient zich vervolgens aan of de curator zich, na de lossing van het eigendomsvoorbehoud, tegenover de pandhouder op grond van artikel 21 lid 2 Iw 1990 jo. artikel 57 lid 3 Fw kan beroepen op het bodemvoorrecht van de fiscus. Mij lijkt dat niet mogelijk. Voor de werking van het bodemvoorrecht moet immers worden uitgegaan van de situatie per faillissementsdatum. Dit volgt mede uit het fixatiebeginsel. Op het moment van failleren was de machine echter niet in (volle) eigendom bij de failliet en kon er om die reden geen bodemvoorrecht op rusten. De tekst van artikel 21 lid 2 Iw 1990 kan mogelijk een rol spelen. Over de voorrangspositie van het bodemvoorrecht ten opzichte van het bezitloze/stille pandrecht zegt die bepaling: ‘Het behoudt deze rang in geval van faillissement van de belastingschuldige (….) ongeacht of tevoren inbeslagneming heeft plaatsgevonden.’ Wordt de nadruk gelegd op het woord ‘behoudt’ dan leidt dat eveneens tot de conclusie dat in een Rabobank/Reuser-geval geen bodemvoorrecht tijdens faillissement ontstaat na de lossing van het eigendomsvoorbehoud, dat zou kunnen worden uitgeoefend voor fiscale faillissementsvorderingen. Theoretisch gezien zou er wel een bodemvoorrecht kunnen ontstaan voor boedelvorderingen van de fiscus. Dat bodemvoorrecht moet dan worden ‘ingeroepen’ door de fiscus zelf en niet door de curator, omdat artikel 57 lid 3 Fw in die situatie toepassing mist.  

Het tweede geval is gecompliceerder en zal zich minder frequent voordoen dan het eerste. Nu is de machine onder dezelfde voorwaardelijke eigendomsconstructie geleverd, maar heeft de fiscus wel bodembeslag op deze zaak gelegd voordat de restant-koopprijs door de pandhouder is voldaan. Door de betaling van dit laatste deel van de koopprijs komt de volle eigendom van de machine bij de (failliete) onderneming, met daarop een volwaardig pandrecht. De machine valt hiermee niet meer onder het bodembeslag van de fiscus, want dat raakt alleen de eigendommen van derden. Het is ook niet aannemelijk dat de curator het bodemvoorrecht van de fiscus kan inroepen op de voet van artikel 21 lid 2 Iw 1990 jo. artikel 57 lid 3 Fw (zie geval 1). Betekent dit nu dat de fiscus – en in diens verlengde – de curator helemaal geen positie meer hebben en vallen zij tussen de wal en het schip? Er zijn wel enkele argumenten te bedenken om de fiscus en de curator hier toch nog een positie te geven. Bepleit kan worden dat het reeds genoemde fixatiebeginsel niet zou toelaten dat de positie van de fiscus per datum faillissement verandert/verslechtert door daarna verrichte handelingen. Daar kan echter tegen worden ingebracht dat het niet gaat om de positie van de fiscus ten aanzien van eigendommen van de failliet, maar ten aanzien van die van derden. Het fixatiebeginsel lijkt daarop niet van toepassing te zijn.

Daarnaast kan een beroep worden gedaan op de strekking van het bodemrecht zoals de Hoge Raad die voor ogen heeft. Zie met name het arrest ABN AMRO Lease/Ontvanger (HR 9 november 2012, JOR 2013/29, NJ 2013, 510), waarin de Hoge Raad overwoog: ‘Het bodemrecht van art. 22 lid 3 Iw strekt ertoe te waarborgen dat de Ontvanger zich in weerwil van eventuele rechten van een derde, op de inbeslaggenomen zaak overeenkomstig zijn rang kan verhalen alsof de zaak aan de belastingschuldige toebehoort, met name indien deze rechten van de derde zijn gevestigd met het oog op zekerheid voor de nakoming voor de nakoming van verplichtingen van de belastingschuldige jegens deze derde.’ Vanuit deze strekking geredeneerd zou het pandrecht op de bodemzaak het moeten afleggen tegen het bodembeslag, ook al komt dat beslag tijdens het faillissement van de belastingschuldige onderneming te vervallen. Niet denkbeeldig is dat de Hoge Raad in een geval als dit aan de fiscus een voorrangsrecht zal toekennen ten aanzien van de opbrengst van de bodemzaak dat boven het pandrecht zal gaan. Zie reeds onder het oude recht HR 5 oktober 1979, NJ 1980, 280 (Ontvanger/Ametagro) in geval van een botsing tussen het bodemrecht en het toen nog geldende verhuurdersprivilege.

In de beide besproken gevallen lijkt de meldingsregeling van artikel 22bis Iw 1990 niet van toepassing te zijn en hoeft de pandhouder niet aan de fiscus te melden dat hij voornemens is het eigendomsvoorbehoud op de machine/bodemzaak te lossen. Een melding is voorgeschreven ingeval er (kort gezegd) een voornemen bestaat om handelingen te verrichten ‘waardoor de zaak niet meer kwalificeert als bodemzaak’. De machine blijft in deze gevallen steeds de kwalificatie van bodemzaak behouden, ook na de lossing door de pandhouder. Weliswaar is er eerst sprake van een bodemzaak die eigendom is van een derde en gaat de (volle) eigendom daarna over op de ondernemer/belastingschuldige, maar dat doet aan deze kwalificatie niet af.