Naar boven ↑

Update

Nummer 10, 2026
Uitspraken van 1 mei 2026 tot 15 mei 2026
Redactie: prof. mr. E.C.H.J. Lokin, mr. H.J. de Kloe, mr. E. Ayerdem, mr. R.J.H. Berghuis, mr. J.O. Bijloo, mr. S.J. van den Boogert, mr. H. Boven, mr. A.D. van Dalen, mr. J. van den Dolder, mr. N. Gamliël, mr. C.M.A. Knoben, mr. I.F.M. Lakwijk, mr. K.C.S. Meekes, mr. A.M.H. Nolte, mr. J.E. van Nuland, mr. W.P.IJ. Overgoor, mr. M. Pinar, mr. B.S. Pronk, mr. dr. S. Renssen, mr. D.R.C. Smit, mr. W.T.N. Vlasveld, mr. J.H.M. van de Wiel en mr. S. Zonneveld.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe INS Update aan. Zie ook onze site met een overzichtelijke database per onderwerp van alle relevante rechtspraak: www.ins-updates.nl.

Rechtspraak
Hierbij ontvangt u de voor u geselecteerde jurisprudentie. Graag wijs ik u in het bijzonder op de volgende uitspraken.

Hoge Raad 24 april 2026, INS 2026-0098
In deze prejudiciële beslissing staat de vraag centraal of afdrachten tijdens een voorafgaand faillissement kunnen meetellen voor een eerdere ingangsdatum van de Wsnp in de zin van artikel 349a lid 1 Fw. De Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend bij omzetting van faillissement in schuldsaneringsregeling op grond van artikel 15b Fw, maar ontkennend als het faillissement eerst wegens gebrek aan baten is opgeheven. In dat verband overweegt de Hoge Raad nog dat artikel 15b Fw is bedoeld om toepassing van de schuldsanering voor natuurlijke personen te bevorderen. Het ligt daarom voor de hand dat de rechter niet snel tot het oordeel komt dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden niet tijdig een Wsnp-verzoek heeft ingediend.

Gerechtshof Den Haag 14 april 2026, INS 2026-0096
In het faillissement van Dudok Groep stelde de curator de (feitelijke en statutaire) bestuurders aansprakelijk op grond van artikel 2:248 BW. De rechtbank wees de vordering toe, maar het hof laat de beslissing van de rechtbank niet in stand. Weliswaar is de deponeringsplicht van artikel 2:394 BW geschonden en is een andere belangrijke oorzaak van het faillissement niet aannemelijk gemaakt, maar het hof overweegt dat schuldeisers niet zijn benadeeld. Alle schuldeisers zijn betaald of kunnen zich, vanwege borgstellingen van de bestuurders of aansprakelijkheid van andere vennootschappen binnen de fiscale eenheid, op derden verhalen. De curator heeft ten onrechte geen gedegen onderzoek gedaan naar in het faillissement ingediende vorderingen en nagelaten met de bestuurders in overleg te treden over een oplossing. Vanwege de geringe aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling en de wijze waarop het faillissement is afgewikkeld matigt het hof het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn tot nihil.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 april 2026, INS 2026-0097
Een verhuurder heeft de huurovereenkomst met een failliete vennootschap opgezegd op grond van artikel 39 Fw. De curator stelt dat deze opzegging in strijd is met de redelijkheid en billijkheid of misbruik van recht zou opleveren, omdat de curator een zwaarwegend belang zou hebben bij een indeplaatsstelling. De kantonrechter wijst in kort geding de vorderingen van de curator af. De rechter toetst in kort geding of aannemelijk is dat een vordering tot indeplaatsstelling ex artikel 7:307 BW in een bodemprocedure zal slagen. Dat is volgens de kantonrechter niet het geval, nu de curator onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de boedel een zwaarwichtig belang heeft bij indeplaatsstelling. Daarbij speelt onder meer een rol dat de verhuurder afstand heeft gedaan van zijn vordering tot het vorderen van opleverschade, de curator onvoldoende inzicht heeft gegeven in het gestelde werknemersbelang en de koper, Van Mossel, bereid is werknemers over te nemen. De vorderingen van de curator worden daarom afgewezen.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar klantenservice@boom.nl

Met vriendelijke groet,

Erik de Kloe
Hoofdredacteur INS Updates

Hoge Raad

Hof

Rechtbank