Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u een nieuwe INS Update aan. Zie ook onze site met een overzichtelijke database per onderwerp van alle relevante rechtspraak: www.ins-updates.nl.
Rechtspraak
Hierbij ontvangt u de voor u geselecteerde jurisprudentie. Graag wijs ik u in het bijzonder op de volgende uitspraken.
Hoge Raad 12 juni 2026, INS 2026-0135
Het Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de direct en indirect bestuurder van Financiële Participaties Amsterdam N.V. ('FPA') aansprakelijk zijn tegenover Bank Degroot Petercam N.V. ('de bank'), door de bank niet te betalen en andere schuldeisers wel. De Hoge Raad casseert de uitspraak van het hof. Het hof heeft miskend dat de bank een vordering had op FPA, terwijl betalingen zijn verricht door een kleindochter van FPA (Weaver B.V.) aan haar eigen schuldeisers. Naar het oordeel van de Hoge Raad is zonder nadere motivering niet in te zien dat de mogelijkheid van FPA om haar schuld aan de bank te voldoen negatief is beïnvloed door de betalingen van Weaver aan haar eigen schuldeisers.
Hoge Raad 12 juni 2026, INS 2026-0128. Met wenk
De beschermingsbewindvoerder van een schuldenaar die is toegelaten tot de WSNP heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de rechter-commissaris om in het vrij te laten bedrag geen rekening te houden met de kosten van het beschermingsbewind. Tegen een dergelijke beslissing van de rechter-commissaris staat geen hogere voorziening open, maar de beschermingsbewindvoerder heeft een beroep gedaan op doorbrekingsgronden. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit beroep niet slaagt en het hoger beroep afgewezen. Tegen die beslissing stelt de beschermingsbewindvoerder cassatie in. De uitspraak van de Hoge Raad gaat over de termijn voor het instellen van het cassatieberoep. De wet geeft namelijk geen termijn voor het instellen van cassatieberoep tegen een uitspraak waarin een beroep op doorbreking van een rechtsmiddelenverbod is beoordeeld. De Hoge Raad sluit aan bij een eerdere uitspraak over artikel 315 lid 1 Fw, waarin is geoordeeld dat een cassatietermijn van acht dagen geldt als een beroep op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van artikel 360 Fw wordt beoogd. Met het oog op de hanteerbaarheid in de praktijk moet voor het instellen van beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank waarin een beroep op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van artikel 315 lid 2 Fw is afgewezen van dezelfde termijn worden uitgegaan.
Rechtbank Amsterdam 8 juni 2026, INS 2026-0126
Een vennootschap verzoekt om de verlenging van een afkoelingsperiode in een WHOA-traject. In eerste instantie was dit verzoek ingediend door een adviseur, maar na een door de rechtbank geboden herstelmogelijkheid heeft een advocaat het verzoek ingediend. Het verzoek kwam enkele uren na de gestelde termijn bij de rechtbank binnen. De rechtbank overweegt dat ook voor een verlengingsverzoek verplichte procesvertegenwoordiging geldt op grond van artikel 5 Fw, hoewel de wettekst dat niet expliciet vermeldt. De korte termijnoverschrijding leidt niet tot niet‑ontvankelijkheid, nu er geen sprake is van processuele benadeling van belanghebbenden en de procedure niet is vertraagd. De rechtbank oordeelt daarom dat de vennootschap ontvankelijk is in haar verzoek en wijst het verzoek toe.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar klantenservice@boom.nl
Met vriendelijke groet,
Erik de Kloe
Hoofdredacteur INS Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Het Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de direct en indirect bestuurder van Financiële Participaties Amsterdam N.V. ('FPA') aansprakelijk zijn door Bank Degroot Petercam N.V. ('de bank') niet te betalen en andere schuldeisers wel. Daarmee heeft het hof miskend dat de bank een vordering had op FPA, terwijl betalingen zijn verricht door een kleindochter van FPA (Weaver B.V.) aan haar eigen schuldeisers. Naar het oordeel van de Hoge Raad is zonder nadere motivering niet in te zien dat de mogelijkheid van FPA om haar schuld aan de bank te voldoen negatief is beïnvloed door de betalingen van Weaver aan haar eigen schuldeisers. 12-06-2026
- Hoge Raad De Hoge Raad bevestigt de termijn voor het instellen van beroep in cassatie, namelijk acht dagen na de dag van de uitspraak. 12-06-2026
Hof
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Een schuldeiser die (mogelijk) een faillissementsvordering heeft, wil hierover een beslissing van de rechter in verband met de fiscale aftrekbaarheid van de vordering in Kroatië. Net als de rechtbank oordeelt het hof dat de schuldeiser op grond van artikel 26 Fw niet-ontvankelijk is in zijn vordering. 02-06-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden De curator van een failliete vennootschap vordert inzage in het cliëntenonderzoek van een notaris bij een aandelentransactie om de vervulling van de poortwachtersrol te beoordelen. Zowel de rechtbank als het hof wijst de vorderingen af. 26-05-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Het hof laat een faillissement dat de rechtbank heeft uitgesproken in stand. De schuldenaar stelt dat de aanvrager geen belang heeft bij het faillissement, omdat de aanvrager redelijkerwijs geen uitkering kan verwachten. Het hof overweegt dat daarmee wordt miskend dat het faillissement 'in verschillende opzichten ook een maatschappelijk belang dient'. Omdat voldaan is aan de voorwaarde voor faillietverklaring, laat het hof het faillissement in stand. 19-05-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden De rechtbank is 21 minuten voordat einduitspraak is gedaan gewraakt. De schuldenaar is niet-ontvankelijk verklaard in dit wrakingsverzoek. Tegen de beslissing op het wrakingsverzoek staat geen hogere voorziening open. In hoger beroep tegen de faillietverklaring kan wel worden aangevoerd dat de procedure bij de rechtbank niet voldeed aan de eisen van artikel 6 EVRM, maar daarvan is naar het oordeel van het hof geen sprake. Omdat is voldaan aan de vereisten voor de faillietverklaring, laat het hof het faillissement in stand. 19-05-2026
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden In een kortgedingprocedure is geoordeeld dat een arbeidsovereenkomst bestaat en dat HDG vorderingen uit hoofde van deze arbeidsovereenkomst moet voldoen. Ondanks het feit dat HDG een bodemprocedure is gestart, blijkt hiermee summierlijk van het vorderingsrecht van de werknemer. Omdat ook aan de andere voorwaarden voor faillietverklaring is voldaan, laat het hof het faillissement in stand. 28-04-2026
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch De vordering van de aanvrager van het faillissement en de aangevoerde steunvorderingen zijn gebaseerd op een vermeende garantstelling. De schuldenaar betwist dat op deze garantstelling een beroep kan worden gedaan. Het hof oordeelt dat de faillissementsprocedure geen ruimte biedt voor een uitgebreid onderzoek naar de garantstelling, en laat de beschikking van de rechtbank waarin het faillissementsverzoek is afgewezen in stand. 18-09-2025
Rechtbank
- Rechtbank Overijssel De rechtbank oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een bate. De aanvraagster van het faillissement heeft gesteld dat de aanwezigheid van een bate op voorhand moet worden aangenomen omdat onvoldoende transparantie is betracht over de turboliquidatie, maar verweerster heeft betwist dat zij onvoldoende transparant is geweest. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake in van onbehoorlijk bestuur bij verweerster. 16-06-2026
- Rechtbank Overijssel De rechtbank overweegt dat het aan de rechter is om een partij al dan niet in de proceskosten te veroordelen na intrekking van een verzoek. Nu de aanvrager had kunnen voorzien dat het faillissementsverzoek zou worden afgewezen en hij het verzoek kort voor de zitting zonder opgaaf van redenen heeft ingetrokken, veroordeelt de rechtbank de aanvrager in de proceskosten. 11-06-2026
- Rechtbank Oost-Brabant Dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur wordt erkend, maar de bestuurders menen dat de arbeidsongeschiktheid van de vader een andere belangrijke oorzaak is van het faillissement. De rechtbank gaat hier niet in mee. In haar oordeel betrekt de rechtbank onder meer dat er geen adequate maatregelen zijn genomen om het wegvallen van vader op te vangen, dat al voor het uitvallen van vader belastingen stelselmatig niet werden betaald en dat vader en zoon grote bedragen onttrokken aan de bv zonder dat daarvoor zakelijke gronden waren. 10-06-2026
- Rechtbank Oost-Brabant Een bank met een pandrecht op vorderingen van een bepaalde rechtspersoon is niet bevoegd tot verrekening van btw-teruggave voor zover deze materieel een andere deelnemer van fiscale eenheid aangaat. De rechtbank oordeelt dat aanwijzing van één vennootschap als betaaladres geen overdracht van vorderingsrechten meebrengt en oordeelt dat de bank niet bevoegd is tot verrekening. 10-06-2026
- Rechtbank Amsterdam De rechtbank Amsterdam verlengt de afkoelingsperiode in een WHOA-traject met vier maanden, ondanks een beperkte termijnoverschrijding bij indiening van het verlengingsverzoek. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat voor een dergelijk verzoek verplichte procesvertegenwoordiging geldt. 08-06-2026
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant De rechtbank wijst het beroep van de curator op artikel 42 Fw af. Centraal staat de vraag of een betaling door de gefailleerde vennootschap aan een groepsvennootschap – verricht in het kader van een kasronde, waarmee meerdere betalingen tussen groepsvennootschappen waren gemoeid – schuldeisers heeft benadeeld. De rechtbank overweegt dat de betaling niet geïsoleerd, maar als onderdeel van een samenhangend geheel van rechtshandelingen moet worden gezien en komt tot het oordeel dat – in dat licht – van benadeling geen sprake is. 20-05-2026
- Rechtbank Rotterdam De curator wordt in de gelegenheid gesteld duidelijk te maken of betrokkene bestuurder of commissaris is van andere rechtspersonen. Als dit het geval is, moet zij van die andere rechtspersonen een uittreksel uit het handelsregister overleggen. 29-04-2026
- Rechtbank Amsterdam De rechtbank wijst een verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode af: de vennootschap biedt onvoldoende inzicht in haar financiële situatie, er is geen concreet akkoord in zicht en het WHOA‑verzoek lijkt vooral bedoeld om een ontruiming en een faillissement te vertragen. Het risico voor verhuurder is te groot bij een afkoelingsperiode. 08-05-2024