Naar boven ↑

Update

Nummer 13, 2026
Uitspraken van 12 juni 2026 tot 25 juni 2026
Redactie: prof. mr. E.C.H.J. Lokin, mr. H.J. de Kloe, mr. E. Ayerdem, mr. R.J.H. Berghuis, mr. J.O. Bijloo, mr. S.J. van den Boogert, mr. H. Boven, mr. A.D. van Dalen, mr. J. van den Dolder, mr. N. Gamliël, mr. C.M.A. Knoben, mr. I.F.M. Lakwijk, mr. K.C.S. Meekes, mr. A.M.H. Nolte, mr. J.E. van Nuland, mr. W.P.IJ. Overgoor, mr. M. Pinar, mr. B.S. Pronk, mr. dr. S. Renssen, mr. D.R.C. Smit, mr. W.T.N. Vlasveld, mr. J.H.M. van de Wiel en mr. S. Zonneveld.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe INS Update aan. Zie ook onze site met een overzichtelijke database per onderwerp van alle relevante rechtspraak: www.ins-updates.nl.

Rechtspraak
Hierbij ontvangt u de voor u geselecteerde jurisprudentie. Graag wijs ik u in het bijzonder op de volgende uitspraken.

Hoge Raad 12 juni 2026, INS 2026-0135
Het Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de direct en indirect bestuurder van Financiële Participaties Amsterdam N.V. ('FPA') aansprakelijk zijn tegenover Bank Degroot Petercam N.V. ('de bank'), door de bank niet te betalen en andere schuldeisers wel. De Hoge Raad casseert de uitspraak van het hof. Het hof heeft miskend dat de bank een vordering had op FPA, terwijl betalingen zijn verricht door een kleindochter van FPA (Weaver B.V.) aan haar eigen schuldeisers. Naar het oordeel van de Hoge Raad is zonder nadere motivering niet in te zien dat de mogelijkheid van FPA om haar schuld aan de bank te voldoen negatief is beïnvloed door de betalingen van Weaver aan haar eigen schuldeisers.

Hoge Raad 12 juni 2026, INS 2026-0128. Met wenk
De beschermingsbewindvoerder van een schuldenaar die is toegelaten tot de WSNP heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de rechter-commissaris om in het vrij te laten bedrag geen rekening te houden met de kosten van het beschermingsbewind. Tegen een dergelijke beslissing van de rechter-commissaris staat geen hogere voorziening open, maar de beschermingsbewindvoerder heeft een beroep gedaan op doorbrekingsgronden. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit beroep niet slaagt en het hoger beroep afgewezen. Tegen die beslissing stelt de beschermingsbewindvoerder cassatie in. De uitspraak van de Hoge Raad gaat over de termijn voor het instellen van het cassatieberoep. De wet geeft namelijk geen termijn voor het instellen van cassatieberoep tegen een uitspraak waarin een beroep op doorbreking van een rechtsmiddelenverbod is beoordeeld. De Hoge Raad sluit aan bij een eerdere uitspraak over artikel 315 lid 1 Fw, waarin is geoordeeld dat een cassatietermijn van acht dagen geldt als een beroep op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van artikel 360 Fw wordt beoogd. Met het oog op de hanteerbaarheid in de praktijk moet voor het instellen van beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank waarin een beroep op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van artikel 315 lid 2 Fw is afgewezen van dezelfde termijn worden uitgegaan.

Rechtbank Amsterdam 8 juni 2026, INS 2026-0126
Een vennootschap verzoekt om de verlenging van een afkoelingsperiode in een WHOA-traject. In eerste instantie was dit verzoek ingediend door een adviseur, maar na een door de rechtbank geboden herstelmogelijkheid heeft een advocaat het verzoek ingediend. Het verzoek kwam enkele uren na de gestelde termijn bij de rechtbank binnen. De rechtbank overweegt dat ook voor een verlengingsverzoek verplichte procesvertegenwoordiging geldt op grond van artikel 5 Fw, hoewel de wettekst dat niet expliciet vermeldt. De korte termijnoverschrijding leidt niet tot niet‑ontvankelijkheid, nu er geen sprake is van processuele benadeling van belanghebbenden en de procedure niet is vertraagd. De rechtbank oordeelt daarom dat de vennootschap ontvankelijk is in haar verzoek en wijst het verzoek toe.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar klantenservice@boom.nl

Met vriendelijke groet,

Erik de Kloe
Hoofdredacteur INS Updates

Hoge Raad

Hof

Rechtbank