Naar boven ↑

Update

Nummer 19, 2026
Uitspraken van 4 september 2026 tot 17 september 2026
Redactie: prof. mr. E.C.H.J. Lokin, mr. H.J. de Kloe, mr. E. Ayerdem, mr. R.J.H. Berghuis, mr. J.O. Bijloo, mr. S.J. van den Boogert, mr. H. Boven, mr. A.D. van Dalen, mr. J. van den Dolder, mr. N. Gamliƫl, mr. C.M.A. Knoben, mr. I.F.M. Lakwijk, mr. K.C.S. Meekes, mr. A.M.H. Nolte, mr. J.E. van Nuland, mr. W.P.IJ. Overgoor, mr. M. Pinar, mr. B.S. Pronk, mr. dr. S. Renssen, mr. D.R.C. Smit, mr. W.T.N. Vlasveld, mr. J.H.M. van de Wiel en mr. S. Zonneveld.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe INS Update aan. Zie ook onze site met een overzichtelijke database per onderwerp van alle relevante rechtspraak: www.ins-updates.nl.

Rechtspraak
Hierbij ontvangt u de voor u geselecteerde jurisprudentie. Graag wijs ik u in het bijzonder op de volgende uitspraken.

Rechtbank Amsterdam 28 augustus 2026, INS 2026-0204
De rechtbank wijst een verzoek tot afkondiging van een WHOA-afkoelingsperiode af, omdat niet is gebleken dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers daarbij zijn gediend. De schuldeiser die 94% van de schuldenlast vertegenwoordigt, heeft zich verweerd tegen het afkoelingsverzoek, omdat hij een hogere uitkering verwacht in faillissement dan met een WHOA-akkoord dat wordt vormgegeven op basis van de liquidatiewaarde. De rechtbank overweegt dat zij de meerwaarde van het akkoord ten opzichte van een faillissement niet kan beoordelen, mede omdat desgevraagd ter zitting geen indicatie kon worden gegeven van het aan te bieden akkoordbedrag.

Gerechtshof Amsterdam 18 augustus 2026, INS 2026-0203
Het hof bekrachtigt de afwijzing van een faillissementsverzoek. Het faillissementsverzoek speelt tegen de achtergrond van een geschil over de verdeling van de opbrengst van een beleggingspand dat in een beleggingsfonds in de vorm van een CV was ondergebracht. Een van de appellanten heeft een vordering op grond van een vonnis dat door de rechtbank Den Haag is gewezen. Hoewel geïntimeerde tegen dat vonnis hoger beroep heeft ingesteld, staat het vorderingsrecht van deze appellant vast. Het hof overweegt dat echter niet summierlijk blijkt dat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Ten overvloede overweegt het hof dat het faillissementsverzoek een onevenredig middel vormt. Het geschil tussen partijen gaat om de afwikkeling van het fonds, terwijl niet is gebleken van externe schuldeisers. Een faillissement zou de verdere behandeling van de lopende procedures bemoeilijken en de belangen van geïntimeerde en de beleggers die door haar worden vertegenwoordigd onevenredig schaden.

Rechtbank Den Haag 12 augustus 2026, INS 2026-0201
In een faillissement heeft de curator een vordering op de verificatievergadering betwist, waarna de zaak is verwezen naar de renvooiprocedure bij de rechtbank Den Haag. De vordering houdt verband met een overeenkomst tot vervoer van goederen over zee. De rechtbank Den Haag oordeelt dat in een dergelijk geval de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 625 Rv exclusief bevoegd is om kennis te nemen van de zaak. Dat is ook het geval bij faillissementsrechtelijke renvooiprocedures, omdat artikel 625 Rv is te beschouwen als lex specialis ten opzichte van andere competentieregels.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar klantenservice@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Erik de Kloe
Hoofdredacteur INS Updates

Hof

Rechtbank